Terug naar Oegstgeest

Door de coronacrisis is de overlegcultuur aan de universiteit – althans, wat er nog van over is – veranderd in een commandostructuur met een strakke hiërarchie. Menigeen maakt zich zorgen of degenen die de lakens uitdelen straks nog wel terug willen in hun hok. Er zijn echter ook tegenovergestelde effecten, die we vast moeten zien te houden.  

In 1999 stapte ik over van de afdeling Psychiatrie naar Klinische Psychologie. De afstand, van Oegstgeest naar Leiden, bedroeg slechts 1600 meter. In sommige opzichten een wereld van verschil.

Bij Psychiatrie was ik coördinator van het doctoraaltentamen. Het gebeurde in die dagen wel eens dat een student zakte voor dat tentamen. Soms zelfs meer dan eens. Zulke studenten meldden zich dan op mijn spreekuur om een mondeling te bepleiten. Dat stond ik altijd toe. Tentamens zijn – zoals elke test – niet onfeilbaar, dat weet elke psycholoog. In een mondeling kun je doorvragen, de student een beetje op weg helpen en je komt er snel genoeg achter of iemand er iets van snapt.  

Bij Klinische Psychologie werd ik coördinator van het eerstejaarstentamen. Al snel meldde zich een student die verklaarde al meermalen gezakt te zijn. Hij weet het aan de meerkeuzevorm. Ik sprak met hem een datum af, constateerde dat zijn kennis en begrip ruim voldoende waren en leverde een tentamenbriefje in met een 7. Kort daarop kreeg ik de instituutsmanager over de vloer die mij kapittelde over het ongeoorloofde mondeling. Of ik alle 300 eerstejaars soms een mondeling wilde afnemen? (Psychologie was indertijd een kleine studie, al beseften we dat nog niet). Mijn tegengesputter werd gepareerd met een juridisch argument: rechtsongelijkheid! Eerstejaars die zakken voor klinische psychologie maken kans op een mondeling, terwijl degenen die sociale psychologie niet halen het nakijken hebben? Dat kunnen we niet hebben, dus ligt de beslissing of een student nog kans maakt op genade bij de studieadviseurs. 

Misschien ben ik een trage leerling, maar er waren ruim twintig jaar en een coronacrisis voor nodig om me ten volle te laten beseffen hoeveel bevoegdheden we hebben afgestaan aan ondersteunend personeel. Wat is er gebeurd? De afgelopen weken moest er acuut een oplossing gevonden worden voor de vele bijna voltooide cursussen en voor het laatste onderwijsblok. Pragmatische oplossingen waren geboden. Studievertraging is kostbaar, vooral voor buitenlandse studenten.

En pragmatische oplossingen zijn er gekomen. Waar tot voor kort het principe van meerdere deelcijfers heilig was, wordt het nu aan het oordeel van docenten overgelaten of de eindtoets – die toch al 0.9 correleert met de opdrachten – nog wel nodig is. Docenten wordt verzocht zelf te beslissen of ze een tentamen door willen laten gaan – of in een andere vorm – of alleen voor twijfelgevallen. Zulks ter beoordeling door de docent. Wat een verademing! Back to normal – voor de ouderen onder ons dan. Tot mijn schrik e-mailde een ervaren docent deze vraag aan de onderwijsdirecteur: “Ik neem aan dat de beslissing over wie een hertentamen mag maken bij de onderwijsdienst ligt en niet bij een docent of coördinator?” Bij mij brak een besef door. Hoe heet zo’n moment? Game changer? Defining moment? In elk geval een moment waarvoor een Engelse uitdrukking opborrelt. Point of no return.

Deze crisis had geen tien jaar later moeten komen. Dan was in de hele academie geen docent meer geweest die nog weet hoe het er op een universiteit aan toe hoort te gaan. Elk systeem schiet vroeg of laat door en dat moment is nu ruimschoots bereikt. Vroeger lag alle bevoegdheid bij de hoogleraar. Dat gaf maatwerk, maar willekeur lag op de loer. Maatwerk is nu opgeofferd aan eenvormigheid en transparantie. Maar als alles transparant is, zie je niks meer. We hebben onze autonomie terug! Bij dezen een boodschap aan de examencommissie, de onderwijsdirecteur, auditcommissies en de volgende rector: die autonomie gaan we niet zomaar weer afstaan.

(In maart 2020 gepubliceerd in Leids Universitair Weekblad MARE) 



Leave a Reply